Afgelopen woensdag 14 oktober 2026 zijn de nieuwe Amerikaanse inflatiecijfers (CPI) gepubliceerd. Deze cijfers gaan over september 2026.

De inflatie kwam hoger uit dan verwacht, zowel bij de totale CPI als bij de kerninflatie, maar wat de meeste mensen niet weten, is dat er achter de cijfers een ander verhaal schuilgaat. Wat zien we namelijk als we iets dieper ingaan op de manier waarop die cijfers tot stand zijn gekomen?

Dat vooral de woonkosten, ook wel shelter genoemd, een belangrijke rol spelen. Hierdoor overschat de officiële inflatiemeting naar mijn mening mogelijk de actuele inflatiedruk. Maar wat zijn de gronden voor deze mening en wat betekent dit voor de rente en de financiële markten?

De nieuwste Amerikaanse CPI-cijfers kwamen 0,1 procentpunt boven de verwachtingen uit. Op het eerste gezicht lijkt dit slecht nieuws voor beleggers. Een hogere inflatie betekent immers dat de Federal Reserve (Fed) mogelijk langer moet wachten met het verlagen van de rente. We zagen dan ook een flinke sell-off, en er volgden een aantal rode dagen.

Toch is het belangrijk om verder te kijken dan het totaalcijfer. Want de tegenvallende inflatie wordt vooral veroorzaakt door één onderdeel: shelter.

En nu denk je misschien: wat is shelter en waarom is het zo belangrijk?

Shelter omvat de woonkosten binnen de Amerikaanse inflatieberekening. Hieronder vallen onder andere huurprijzen en de geschatte huurwaarde van koopwoningen. Dit onderdeel vertegenwoordigt ongeveer 35% van de totale CPI en ruim 40% van de kern-CPI. Daarmee heeft shelter een enorme invloed op het uiteindelijke inflatiecijfer.

Het probleem zit vhem alleen nu in de vertraging waarmee woonkosten worden gemeten. Nieuwe huurcontracten kunnen bijvoorbeeld al aanzienlijk goedkoper worden, terwijl de officiële CPI nog prijsstijgingen registreert op basis van bestaande huurcontracten. Hierdoor kan de inflatie op papier hardnekkig hoog blijven, terwijl de actuele huurmarkt al duidelijk afkoelt.

Maar is de werkelijke inflatie veel lager?

De officiële shelter-component stijgt nog met ongeveer 3,2% op jaarbasis. Wanneer deze component wordt vervangen door een actuelere huurprijsindicator, zou de Amerikaanse kerninflatie uitkomen op slechts 0,8% op jaarbasis. Dat is nogal een verschil,hieronder zal ik uitleggen hoe ik aan dit cijfer kom. Het suggereert namelijk dat de onderliggende inflatiedruk mogelijk aanzienlijk lager ligt dan de officiële cijfers laten zien.

We gebruiken hiervoor verschillende cijfers. 

  1. Officiële shelter-inflatie: ongeveer 3,2% op jaarbasis.

  2. Alternatieve huurprijsindicator: ALRI/ALNRI.

  3. Berekende alternatieve kern-CPI: 0,8% op jaarbasis.

ALRI en ALNRI worden hierbij gebruikt als alternatieve indicatoren voor de Amerikaanse huurprijsinflatie. In deze tabel wordt duidelijk at de verschillen zijn, en daarom het belangrijk is dat we mer recente data gebruiken om een beter beeld te krijgen van eventuele realistischere inflatiecijfers. 

officiële CPI shelter

ALTERNATIEVE HUURPRIJSINDICES

meet woonkosten van bestaande huurders en geschatte huurwaarden van koopwoningen

meten vaak huurprijzen bij nieuwe contracten

reageert relatief langzaam op veranderingen

kan sneller reageren op de actuele huurmarkt

geeft een breder beeld van woonkosten

geeft eerder inzicht in nieuwe huurprijstrends

De nieuwe kerninflatie bereken ik nu door de officiële kerninflatie te nemen en daar het gewicht van shelter binnen de kern-CPI te vermenigvuldigen met het verschil tussen de nieuwe shelter-inflatie en de officiële shelter-inflatie. De uitkomst tel je vervolgens op bij de officiële kerninflatie. Dat ziet er in formule zo uit: 

nieuwe kern-CPI = officiële kern-CPI + (gewicht shelter × (nieuwe shelter-inflatie − officiële shelter-inflatie))

De berekening met cijfers:

Nieuwe kern-CPI = 2,6% + (0,45 × (−0,8% − 3,2%))
Nieuwe kern-CPI = 2,6% − 1,8%
Nieuwe kern-CPI = 0,8%

Hierbij staat 0,45 voor het gewicht van Shelter binnen de kern-CPI, oftewel 45%.

Door uitsluitend deze woonkostencomponent aan te passen, daalt de berekende kerninflatie van 2,6% naar 0,8%. Dat is een verschil van maar liefst 1,8 procentpunt en dat is een groot getal. 

Maar wat betekent dit voor de Federal Reserve?

De Fed probeert de inflatie terug te brengen naar haar doelstelling van 2%, gemeten aan de hand van de PCE-prijsindex. Wanneer de officiële inflatie hardnekkig hoog blijft, kan de centrale bank besluiten de rente langer op een hoog niveau te houden. Maar als een groot deel van die inflatie wordt veroorzaakt door vertraagde woonkostengegevens, bestaat het risico dat de Fed de economie onnodig lang afremt.

Interessant genoeg daalden de Amerikaanse obligatierentes na de eerste reactie op de hoger dan verwachte CPI. Dit kan erop wijzen dat obligatiebeleggers steeds meer rekening houden met een verdere afkoeling van de inflatie.

En wat betekent dat voor ons als beleggers? 

Wanneer de inflatie daadwerkelijk verder afneemt, kan dat verschillende financiële markten ondersteunen.

Deze verwachtingen blijven afhankelijk van nieuwe economische cijfers en de daadwerkelijke beslissingen van de Fed.

De belangrijkste boodschap die ik wil overbrengen is dat een hoger dan verwachte CPI niet automatisch betekent dat de inflatiedruk opnieuw toeneemt. Door het grote gewicht en de vertraagde meetmethode van shelter kan de officiële inflatie achterlopen op ontwikkelingen in de actuele huurmarkt. Omdat we ook weten dat de 18jarige vastgoed-cyclus zijn einde nadert, lijkt dit elkaar ook te bevestigen. Als de onderliggende inflatie inderdaad sneller afkoelt dan verwacht, kan dat uiteindelijk ruimte creëren voor lagere rentes en een gunstiger klimaat op de financiële markten.